Weekblad deGouda digitaal

Kat in de Stad: Vet verwarrend

Na een korte vakantie in het bos, waarin ik continu in de gaten werd gehouden alsof ik een boef op proefverlof was, was ik blij weer terug te zijn in mijn stad. Hier kon ik tenminste alleen over straat, zonder dat Kathleen bang was dat ik verdwaalde of dat Joost overeind schoot als ik maar in de buurt van een hoge boom kwam. Want stel dat ik er weer in zou klimmen… Eenmaal thuis aangekomen, rende ik meteen de openstaande voordeur uit, stiekem hopend dat ik die ene leukerd met die glanzende zwart-witte vacht weer zou zien. Ik kon op dat moment niet weten dat onze ontmoeting voor nogal wat verwarring zou zorgen.

Ik stak de straat over en ging op mijn favoriete bruggetje boven de gracht zitten. Vanaf deze plek had ik goed zicht op iedere kat die langskwam. Steeds als ik in de verte iets zag bewegen, keek ik verlangend op. De laatste keer dat ik Pedro had gezien was alweer een paar weken geleden. Maar wie er ook aan kwam lopen, niet mijn vrolijke Spaanse maatje.

Nadat buurtkat nummer vier was gepasseerd, gaf ik het op. Wat had ik gedacht? Dat Pedro elke dag naar me op zoek was gegaan, om vervolgens te moeten concluderen dat ik er nog steeds niet was? Maar liefst zeven dagen was ik weg geweest. In die tijd had hij natuurlijk al lang zo’n slanke, kittige Siamees met helblauwe ogen aan de haak geslagen.

Met een zucht liet ik me op mijn buik zakken en sloot mijn ogen, zodat dat ik die rare leegte in mijn lijf niet hoefde te voelen. Gelukkig is in slaap vallen nooit een probleem voor mij en al snel zakte ik weg, verwarmd door de late middagzon.

Zeker een uur later werd ik gewekt door iets kriebeligs op mijn wang. Met mijn ogen nog dicht schudde ik met mijn kop en rolde op mijn andere zij. Opnieuw voelde ik iets kriebelen en ik rook iets bekends. Dit keer opende ik mijn ogen wel en keek recht in de grote, groene kijkers van Pedro. Onmiddellijk ging ik rechtop zitten.

‘Hé,’ zei ik. Ik hoopte maar dat ik er niet al te on-charmant bij had gelegen.

‘Zo, jij kan slapen!’ zei Pedro grijnzend.

‘Je liet me schrikken,’ zei ik naar waarheid, maar tegelijkertijd voelde ik vanbinnen een vonkje ontvlammen. ‘Hoe wist je dat ik hier was?’

‘Gewoon, dit is toch je vaste stek?’

‘Klopt, maar ik was er de hele week niet.’

‘En nu wel,’ zei Pedro praktisch. Ik durfde niet te vragen of het toeval was dat hij voor me stond, of dat hij de afgelopen dagen naar me op zoek was geweest. Dat laatste leek me sterk.

‘Wist je dat de kermis gisteren is begonnen?’ Pedro keek me opgetogen aan.

‘Kermis?’ vroeg ik. Ik wist wel wat kerstmis was, maar voor dat winterse feest was het nu nog veel te warm.

‘Ja, op de Markt. Dat is lachen, joh. Ga je mee?’

Ik duwde mezelf overeind en besloot om niet door te vragen. Pedro mocht dan in een vorig leven bij een oud vrouwtje in het bos hebben gewoond, hij was in sommige opzichten veel wereldser dan ik.

‘Is goed,’ zei ik dus maar en liep achter Pedro aan het bruggetje af. Wat die kermis ook mocht inhouden, het maakte niet uit, ik liep hier toch maar mooi naast de knapste kater van de stad.

Zodra we de Markt op liepen, was ik van het ene op het andere moment in shock. Overal klonk harde muziek en er stonden megagrote, felgekleurde machines, die snel ronddraaiden en zelfs over de kop gingen. Sommige waren nog hoger dan de huizen aan het plein. En in die machines, geloof het of niet, zaten mensen. Ze gilden en schreeuwden en ik keek Pedro verschrikt aan.

‘O, nee… Dat gaat helemaal mis, daar! Wie heeft die mensen erin gestopt? Ze krijsen het uit van angst.’

Pedro begon te lachen. ‘Nee joh, die zitten daar vrijwillig in. Mensen houden ervan om af en toe iets spannends te doen.’

‘Serieus?’ Ik keek weer omhoog naar de rondzwaaiende arm van het grootste monster, met eraan vastgeklonken vier minimensjes in een bakje en ik dacht aan mijn mensen. Het spannendste wat Joost en Kathleen deden was bekvechten over wie de was moest doen. ‘Poeh,’ zei ik. ‘Wat hebben wij hier dan te zoeken?’ Ik had direct spijt van mijn vraag. Ik was hier met Pedro, dat was toch wat ik wilde?

‘Gewoon, lol maken. Ze hebben ook dingen die niet eng zijn,’ zei Pedro. Hij leek zich niets aan te trekken van mijn vertwijfeling en rende voor me uit, het plein op. Ik hobbelde achter hem aan.

 

Verhaal gaat verder na de foto van Pedro en Koosje

 

Even later stonden we voor een gebouw dat volledig uit spiegels leek te bestaan. Mensen gingen er via een treeplank naar binnen.

‘Kom, aan de achterkant is een gat, daar kun je er zo in.’ Pedro liep om het gebouw heen en ik volgde. Hij kroop onder een metalen hek door en wrong zich door een nauwe, ronde opening naar binnen. Aarzelend bleef ik staan. ‘Kom, Koosje!’ riep hij. Zijn mauw galmde door het gat.

Ik dwong mezelf om mijn poten op de rand van de opening te zetten, hield mijn buik in en worstelde  me met pijn en moeite naar binnen. Ik keek op en bleef verstijfd staan. Pedro was ineens twee keer zo lang en heel dun. Zijn lijf leek te kronkelen als dat van een slang. Naast me hoorde ik hem in lachen uitbarsten. Ik keek opzij en daar stond hij ook! Hij zag er godzijdank normaal uit.

‘Dit is een lachspiegel,’ hikte hij. ‘Dat had je even niet in de gaten, he? Nu jij!’

Ik ging voor de spiegel staan en veranderde eveneens in een kronkelende aal. Ik schoot ook in de lach. Pedro liep alweer door naar de volgende spiegel. Nu leek hij heel klein, alsof hij weer een kitten was. Ik kwam naast hem staan en ook ik leek wel een dwerg. We schaterden het uit. Dit was serieus komisch! Ik had de smaak te pakken en rende als eerste naar de volgende spiegel.

Mijn lachbui stokte onmiddellijk. Dit was niet om aan te zien. Ik weet dat ik niet de dunste ben, maar mijn spiegelbeeld was zeker drie keer zo dik als ik normaal ben. Pedro stond inmiddels achter me en brulde het uit.

‘Koosje, mijn god, wat ben je vèt!!’ Hij rolde over de vloer van het lachen.

Ik sprong weg van de spiegel en rende terug naar het gat, waar ik me vliegensvlug doorheen wurmde. Daarna verstopte ik me onder de kar met snoepgoed die vlak achter het spiegelhuis stond. Ik kon wel janken. Pedro vond me lelijk! Hij had me vet genoemd. Dat was nog veel erger dan gezet of mollig, of dik.

‘Koosje! Waar ben je?’ Pedro’s stem klonk vlakbij, maar ik hield mijn mond. Het was duidelijk. Geen kater vond mij aantrekkelijk, laat staan deze knappe Spanjaard. ‘Koosje, wat is er? Schrok je ergens van? Kom, dan gaan we naar de oliebollenkraam.’

Ik dacht na. Waarom zou Pedro me mee willen nemen naar een eettent, als hij me nu al vet vond? Of… had ik het verkeerd begrepen? Langzaam kroop ik onder de kar vandaan. Daar stond hij voor me, zijn blik was beetje bezorgd.

‘Is er iets?’ vroeg hij.

Ik zweeg.

‘Nou?’

Ik zuchtte en verzamelde al mijn moed. ‘Ik… eh, ik dacht dat je me uitlachte.’

‘O, Koosje, natuurlijk niet. Ik lachte om je spiegelbeeld, niet om jou. Ik vind je prachtig, met al je kleuren.’

Ik dwong mezelf om naar hem te glimlachen. Oké, toegegeven, hij bleef op een veilig terrein. Een compliment maken over mijn kleuren betekende dat hij niets hoefde te zeggen over mijn omvang. Maar het was in elk geval beter dan ordinair leedvermaak.

Zij aan zij liepen we richting de zoete geur van de oliebollenkraam.

‘Hoe deed je dat ook alweer, bij die vistent?’ vroeg Pedro.

Ik zei niks, maar ging aan de zijkant van de kraam zitten, terwijl ik iedereen die in de rij stond strak aankeek. Het werkte. Binnen een paar minuten kwam er een jongen naar ons toe die twee stukken van dat heerlijke sappige deeg voor onze poten neerlegde.

‘Man, wat is dit lekker,’ zei Pedro met volle mond. Van blijdschap gaf hij me een kopje. Ik sloot mijn ogen en zweefde een beetje. Liefde gaat door de maag, zeggen mensen vaak en ik bedacht me dat dat zomaar ook voor katten kan gelden.

 

Alle verhalen terug lezen? Klik hier

 

 

Gerelateerde artikelen

Print Media Nederland

Uitgever van:

Weekblad deGouda
GoudaFM
GoudaTV



Volg ons op



Contact

Karnemelksloot 31
2806 BA Gouda

T 0182 - 322 456


E info(@)degouda.nl